Europees Hof voor de Rechten van de Mens
31517/12
(Miessen t. België) Schending artikel 6 §1 – recht op toegang tot de rechter – overdreven formalisme – Raad van State

Op 18 oktober 2016 veroordeelde het EHRM België voor het schenden van het recht op toegang tot een rechter (artikel 6 §1 EVRM) omwille van het overdreven formalisme dat de Raad van State vraagt ten aanzien van de repliekmemories. Hoewel deze zaak geen betrekking heeft op het vreemdelingenrecht as such, is deze beslissing wel relevant voor de rechtspleging voor de Raad van State.

 

Feiten: Raad van State verwerpt verzoek op formele punten

 

De heer Vivian Miessen, een Belgische onderdaan, werd in 2003 aangevallen. De dader kon niet geïdentificeerd worden. In 2008 sloot het openbaar ministerie de zaak af wegens het gebrek aan bewijzen. Vervolgens vroeg de man een financiële tegemoetkoming aan bij Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden op. Sinds 1 augustus 1985 kunnen slachtoffers van opzettelijke gewelddaden of hun verwanten onder bepaalde voorwaarden om een financiële hulp van de federale staat verzoeken. Wanneer de dader onbekend is of onvermogend blijkt, acht de staat het immers billijk dat de ze bijdraagt tot het vergoeden van de slachtoffers.

 

De Commissie wees het verzoek af omdat het dossier op de aanval tegen hem op 16 juni 2004 beëindigd was, en omdat hij pas een verzoek indiende nadat de wettelijke deadline van drie jaar verstreken was. De heer Miessen richtte zich tot de Raad van State, omdat hij de argumentatie van de Commissie praktisch onbestaande vond aangezien de Commissie het argument negeerde dat hij tegenstrijdige informatie had ontvangen van het openbare ministerie over het verder zetten van zijn zaak.

 

De Belgische staat haalde in haar memorie voor de Raad van State aan dat het verzoek onontvankelijk was omdat de heer Miessen zijn verzoek niet de juiste titel had gegeven aan zijn verzoekschrift. In zijn repliekmemorie haalde de heer Miessen echter dezelfde argumenten aan als in zijn initiële memorie, zonder de argumenten van de tegenpartij te beantwoorden. Op 1 december 2011 wees de Raad van State op die gronden het verzoek af. De heer Miessen richtte zich vervolgens tot het EHRM omdat hij meende dat zijn recht op toegang tot de rechter, zoals voorzien in artikel 6 § 1 EVRM werd geschonden. Hij stelde dat die schending op twee manieren heeft plaatsgevonden. Ten eerste door het overdreven formalisme zoals voorgeschreven in art. 14, alinea 3 van KB van 30 november 2006 dat de administratieve procedure voor de Raad van State regelt, waardoor de repliekmemorie werd verworpen. Daarnaast meende de heer Miessen dat hij door de verwerping geen kans heeft om de beslissing van de Commissie te laten annuleren, en een rechter kan laten oordelen over zijn verzoek tot financiële tegemoetkoming.

 

EHRM: excessief formalisme heeft een disproportioneel effect op het recht op toegang tot de rechter.

 

Het EHRM herinnert eraan dat het recht op toegang tot een rechter slechts één aspect is van artikel 6 § 1 van het EVRM. Dit recht is niet absoluut. De verdragsstaten beschikken over een zekere appreciatiemarge om de toegang tot de rechter te regelen. Elke beperking daarop moet een legitiem doel nastreven en er moet een redelijk en proportioneel verband bestaan tussen het doel en de middelen. Om het recht op toegang tot de rechter te beoordelen neemt het EHRM het geheel van de procedure in aanmerking. De ontvankelijkheidsvoorwaarden voor een voorziening in cassatie mogen daarin ook strenger zijn dan voor een gewoon beroep.

 

In casu, onderzoekt het EHRM of de reden waarom het verzoek werd verworpen, de heer Miessen het recht heeft ontzegd om de grond van zijn beroep te laten onderzoeken. Hiervoor kijk het EHRM naar de proportionaliteit van de opgelegde beperking, de vereisten van de rechtszekerheid en een vlotte rechtstoegang.

 

Het EHRM stelt vast dat het verzoek onontvankelijk werd verklaard omdat de repliekmemorie van de heer Miessen niet voldeed aan de formele vereisten van het KB van 2006, omdat de verzoeker de argumenten van de tegenpartij niet had beantwoord. Het EHRM stelt echter dat het KB niet vereist dat de argumenten van de tegenpartij worden beantwoord, maar vraagt dat repliekmemorie een samenvattende memorie is  waarin ‘alle argumenten van de verzoekende partij op een rij worden gezet’. Formeel is het dus niet verboden een repliekmemorie in te dienen die identiek is aan het verzoekschrift, in het geval de verzoeker de argumenten van de tegenpartij niet kan of niet wil beantwoorden. De voorbereidende werken van het KB tonen ook dat het doel van een repliekmemorie is het werk van de Raad van State te verlichten.

 

Het EHRM vraagt zich af of het afwijzen van het verzoek op dergelijke gronden proportioneel is met doel om het werk van de Raad van State te verlichten. Het EHRM is dan ook niet overtuigd dat de vereiste om de argumenten van de tegenpartij te beantwoorden essentieel is opdat de Raad van State haar controle had kunnen uitoefenen. De Raad van State heeft met de repliekmemorie immers voldoende informatie om uitspraak te kunnen in de zaak. Het EHRM oordeelt dan ook dat de overdreven strikte toepassing van artikel 14 van het KB van 2006 disproportioneel is met het recht van de heer Miessen om zijn verzoek ten gronde beoordeeld te zien worden en acht artikel 6 § 1 geschonden.