Europees Hof voor de Rechten van de Mens
41738/10
(Paposhvili t. België) Schending artikel 3 EVRM – verbod van foltering en onmenselijke en vernederende behandeling – zwaar zieke vreemdelingen – effectieve toegang tot behandeling in herkomstland - geen onderzoek door Belgische autoriteiten – Schending artikel 8 EVRM – recht op gezinsleven – schending bij verwijdering zonder onderzoek (art. 3 en art. 8 EVRM)

De Grote Kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) oordeelt dat het plegen van ernstige misdrijven de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) niet vrijstelt om de medische situatie van een ernstig zieke aanvrager te beoordelen in het licht van artikel 3 EVRM. Het EHRM bepaalt ook dat DVZ de impact op zijn familieleven in het licht van artikel 8 EVRM moet onderzoeken.

 

Feiten: DVZ weigert de aanvraag medische regularisatie van een Georgische leukemiepatiënt om redenen van openbare orde te onderzoeken

 

De verzoeker, een Georgische man is in 1998 in België aangekomen. Nadat hij uitgeprocedeerd was, werd hij voor verschillende feiten (diefstal, deelname aan een criminele organisatie) veroordeeld. Terwijl hij zijn straf uitzat, werd in 2006 leukemie vastgesteld. Uit latere medische rapporten blijkt dat hij niet alle nodige medische behandelingen en opvolging heeft gekregen in de gevangenis en het gesloten centrum.

 

Dhr. Paposhvili diende twee regularisatieaanvragen om medische redenen in (artikel 9ter Verblijfswet). Op beide aanvragen besliste de Dienst vreemdelingenzaken de verzoeker meteen uit te sluiten op basis van zijn strafrechtelijke veroordelingen zonder de medische situatie te onderzoeken. De Raad voor vreemdelingenbetwistingen (RVV) bevestigde in beroep dat een onderzoek van de medische elementen overbodig is als de betrokkene uitgesloten is om redenen van openbare orde. De RVV weigerde de risico’s op vernederende behandeling bij terugkeer naar Georgië te onderzoeken omdat de weigering van verblijf op basis van art. 9ter niet gekoppeld was met een bevel om het grondgebied te verlaten. De verzoeker had immers al een ministerieel besluit tot terugwijzing gekregen dat niet tijdig aangevochten was (hij was gehospitaliseerd bij de betekening ervan).

 

Volgens de RVV moest het risico op schending van art. 3 EVRM, en de medische situatie, op het moment van de gedwongen uitoefening van de verwijderingsmaatregel onderzocht worden. De Raad van State heeft deze stelling ook bevestigd en verklaarde het cassatieberoep ontoelaatbaar.

 

Voor het EHRM pleit de verzoeker (en nadien zijn familieleden) dat zijn terugkeer naar Georgië een schending van artikel 3 EVRM (verbod op foltering, onmenselijke en vernederende behandeling) zou uitmaken. De vrouw en drie kinderen van dhr. Paposhvili hebben sinds 2010 een onbeperkt verblijf in België. Zijn verwijdering zou dus ook een schending van zijn recht op gezinsleven (beschermd door het artikel 8 EVRM) betekenen.

 

In een arrest van 17 april 2014 hebben 7 rechters van het EHRM beslist dat de terugkeer van verzoeker in Georgië geen schending van artikel 2 (recht op leven) of 3 EVRM met zich zou meebrengen. Zes op de zeven rechters waren ook van oordeel dat er geen sprake van schending van het gezinsleven was.

 

Dhr. Paposhvili is op 7 juni 2016 gestorven. Het EHRM gebruikt de gelegenheid om zijn rechtspraak over de verwijdering van zwaar zieke vreemdelingen te verduidelijken (§ 129-133).     

 

 

Versoepeling van de criteria van het arrest N. t. VK: art. 3 EVRM kan geschonden worden bij verwijdering niet enkel als de zieke vreemdeling bijna dood is

 

In het arrest N. tegen VK[1], besliste het EHRM dat de verwijdering van zwaar zieke vreemdelingen enkel in uitzonderlijke omstandigheden artikel 3 EVRM kunnen schenden, met name als de patiënt in een terminale fase zit. Het EHRM sloot echter niet uit dat “andere zeer uitzonderlijke gevallen” ook tot een schending van art. 3 konden leiden. Maar in geen enkele zaak besliste het EHRM dat de situatie voldoende uitzonderlijk was. Daardoor bleef dat begrip lange tijd een lege doos wat tot veel kritiek leidde, zelfs van sommige rechters van het Hof zelf.[2] 

 

Met het arrest Paposhvili komt daar verandering in. Volgens de Grote Kamer kan artikel 3 EVRM geschonden worden indien er “grondige redenen zijn om aan te nemen dat deze persoon, ook al loopt hij niet het risico om in zeer nabije toekomst te sterven, blootgesteld zou worden aan een reëel risico op een ernstige, snelle en onomkeerbare daling van zijn gezondheidstoestand die voor een intens lijden zou zorgen of op een significante daling van zijn levensverwachting, indien hij geen adequate behandeling, of géén toegang tot deze behandeling in zijn herkomstland zou krijgen” (§ 183). Dit is in zekere zin een uitbreiding van de criteria die het EHRM vastlegde in zijn vorige arrest N t. Verenigd Koninkrijk  dat de “significante daling van de levensverwachting” niet als relevant beschouwde.

 

Staten moeten het risico op een vernederende behandeling door de gezondheidstoestand van de vreemdeling grondig onderzoeken

 

Volgens het EHRM is het de plicht van de lidstaten om “via adequate procedures” de persoon te beschermen en dus een onderzoek naar het risico uit te voeren. Maar hoe moeten de staten dit risico onderzoeken?

 

Het EHRM grijpt daarvoor terug naar zijn asielrechtspraak, om de richtlijnen daaromtrent te bepalen. Eerst moet de vreemdeling de elementen die een risico op slechte behandeling in geval van terugkeer kunnen aantonen voorleggen. Het EHRM merkt wel op dat “een deel van de inschatting een inherent deel uitmaakt van de preventieve bescherming eigen aan artikel 3 EVRM”. De Staten mogen dus niet eisen dat vreemdelingen “een zeker bewijs leveren van hun beweringen dat zij onderworpen zullen worden aan verboden behandelingen” (§ 186).

 

Als deze elementen worden voorgelegd, moeten de overheden die de vreemdeling wil verwijderen, via interne procedures, “eventuele twijfel over deze zaken wegnemen” door “de gezondheidstoestand van de betrokkene voor de verwijdering te vergelijken met de gezondheidstoestand die zou optreden in het bestemmingsland indien de betrokkene er naartoe gestuurd zou worden” (§ 187-188). Nationale administraties en rechters moeten “geval per geval nagaan of de zorgen die in het algemeen beschikbaar zijn in het bestemmingsland in de praktijk voldoende en adequaat zijn om de pathologie waaraan de betrokkene lijdt te behandelen.” (§ 187-189, voornamelijk op basis van rapporten van de WHO, NGO’s en medische verslagen).

 

De overheden moeten ook onderzoeken of “het voor de betrokkene effectief mogelijk is toegang te hebben tot deze zorgen en behandelingen in het bestemmingsland”. Hiervoor moeten ze voornamelijk volgende elementen in overweging nemen: “de kostprijs van de medicatie en behandelingen, het bestaan van een sociaal en familiaal netwerk, en de geografische afstand om de nodige zorgen te verkrijgen” (§ 190).

 

Indien twijfel blijft bestaan, moeten de overheden “individuele en voldoende garanties” verkrijgen van de bestemmingsstaat “dat de adequate behandelingen beschikbaar en toegankelijk zullen zijn voor de betrokkene opdat zij zich niet in een situatie zal bevinden die tegenstrijdig is met artikel 3 EVRM” (§ 191).

 

 

Voorwaardelijke schending van art. 3 EVRM: gezondheidssituatie nooit onderzocht door de Belgische autoriteiten en rechtscolleges

 

Uit de gedetailleerde informatie die de arts van dhr. Paposhvili voorlegde, blijkt dat zijn gemiddelde levensverwachting niet meer dan 6 maanden zou zijn bij onderbreking van zijn behandeling. Volgens de Belgische specialist waren er geen garanties dat de patiënt toegang tot de behandeling zou hebben in Georgië. Volgens het EHRM zijn die beweringen niet ‘ongeloofwaardig’.[3] 

 

Het EHRM merkt op dat noch de DVZ noch de RVV de gezondheidssituatie van dhr. Paposhvili en het gebonden risico op schending van art. 3 EVRM hebben onderzocht. Er is geen onderzoek gebeurd in het kader van de procedure medische regularisatie, maar ook niet in het kader van de verwijderingsprocedure. Een onderzoek van de medische elementen op het moment van de gedwongen verwijdering, zoals gesteld door zowel de RVV als de Raad van State, voldoet niet aan de voorwaarden van een grondig onderzoek volgens het EHRM. Dit omdat er noch informatie bestaat over de reikwijdte  van een dergelijk onderzoek, noch over de gevolgen op het uitvoerbare karakter van een bevel om het grondgebied te verlaten (§ 202).

 

De 17 rechters beslissen dus unaniem dat de Belgische administratie en rechters niet over voldoende informatie over de gezondheidstoestand van verzoeker en de effectieve toegang tot adequate behandeling in Georgië beschikken om te beslissen dat een verwijdering geen concrete en reëel risico op slechte behandeling met zich zou meebrengen. Was dhr. Paposchvili naar Georgië verwijderd zonder evaluatie van die gegevens, dan zou er sprake geweest zijn van een schending van artikel 3 EVRM.

 

Voorwaardelijke schending van art. 8 EVRM: gezinssituatie nooit onderzocht door de Belgische autoriteiten en rechtscolleges

 

Dhr. Paposhvili leefde sinds 1998 in België, waar twee van zijn drie kinderen zijn geboren. Al zijn gezinsleden zijn in 2010 geregulariseerd voor onbeperkte duur. Het EHRM gebruikt dezelfde redenering als bij zijn beoordeling van artikel 3 en komt tot dezelfde conclusie over zijn recht op gezinsleven (art. 8 EVRM).

 

Het EHRM beoordeelt niet of de verwijdering van verzoeker al dan niet een schending van art. 8 zou uitmaken. Het EHRM wil zelf geen evenredigheidstoets doen maar stelt dat dit de taak van de nationale overheid is. Rekening houdend met de gezondheidssituatie van de betrokkene, moesten de Belgische administratie en rechters onderzoeken of men kan redelijkerwijze kan verwachten dat zijn gezin met hem naar Georgië al dan niet moest terugkeren en of zijn recht op gezinshereniging al dan niet vereiste dat een verblijfsrecht tot zijn overlijden toegekend moest worden. Het EHRM merkt op dat die analyse nooit heeft plaatsgevonden, noch door DVZ noch door de RVV (of de Raad van State).

 

Was dhr. Paposchvili naar Georgië verwijderd zonder evaluatie van die gegevens dan zou er sprake geweest zijn van een schending van artikel 8 van het EVRM.




[1]EHRM, N. t. VK, 27 mei 2008, nr. 26565/05 

[2] zie o. m. afwijkende opinie van rechter Pinto in de zaak S.J. tegen België, 19 maart 2015 en van Belgische rechter Lemmens in de zaak Tatar t. Zwitzerland, 14 april 2015

[3] eufemistische formule gebruikt door de tussenkomst van de Georgische staat in de zaak die de ruime toegankelijkheid van zijn gezondheidssysteem heeft beschreven.