Hof van Justitie
C-429/15
(Evelyn Danqua t. Minister for Justice and Equality, Ireland, Attorney General) Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2004/83/EG – Minimumnormen voor de erkenning als vluchteling of als persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt – Nationale procedureregel die voor het indienen van een verzoek om subsidiaire bescherming voorziet in een termijn van vijftien werkdagen vanaf de kennisgeving van de afwijzing van de asielaanvraag – Procedurele autonomie van de lidstaten – Gelijkwaardigheidsbeginsel – Doeltreffendheidsbeginsel – Goed verloop van de procedure voor de behandeling van het verzoek om subsidiaire bescherming – Goed verloop van de terugkeerprocedure – Onverenigbaarheid

De Ghanese verzoekster in deze zaak had in Ierland een verzoek tot toekenning van de vluchtelingenstatus ingediend dat door de bevoegde autoriteit werd afgewezen, waarbij deze verzoekster op de mogelijkheid wees om binnen vijftien werkdagen een verzoek om subsidiaire bescherming in te dienen.

 

Vervolgens heeft verzoekster een verzoek om subsidiaire bescherming ingediend. Ook dit verzoek werd echter afgewezen omdat het niet binnen de voormelde termijn van vijftien dagen werd ingediend. Tegen deze beslissing heeft verzoekster een beroep ingesteld.

 

De verwijzende rechter vraagt het Hof van Justitie of het doeltreffendheidsbeginsel zich verzet tegen een nationale procedureregel op grond waarvan een verzoek tot toekenning van de subsidiaire-beschermingsstatus moet worden ingediend binnen een vervaltermijn van vijftien werkdagen vanaf het ogenblik dat de bevoegde autoriteit een afgewezen asielzoeker ervan in kennis stelt dat hij een dergelijk verzoek kan indienen.

 

Het Hof onderzoekt of een dergelijke vervaltermijn kan gerechtvaardigd worden met het oog op het waarborgen van het goede verloop van de procedure voor de behandeling van een verzoek om subsidiaire bescherming. Het oordeelt dat een vervaltermijn zoals die in het hoofdgeding, gelet op de moeilijkheden waarmee dergelijke verzoekers kunnen worden geconfronteerd bijzonder kort lijkt en in de praktijk niet aan al die verzoekers daadwerkelijk de mogelijkheid biedt om een verzoek tot toekenning van subsidiaire bescherming in te dienen. Een dergelijke termijn kan dus niet redelijkerwijze worden gerechtvaardigd door het doel om het goede verloop te verzekeren van de procedure voor de behandeling van een verzoek tot toekenning van die status.

 

Aan die vaststelling kan volgens het Hof niet worden afgedaan door de noodzaak om de doeltreffendheid van de terugkeerprocedures te verzekeren, aangezien de termijn die aan de orde is in het hoofdgeding niet rechtstreeks samenhangt met de terugkeerprocedure, maar met de afwijzing van het verzoek tot toekenning van de vluchtelingenstatus.