14 augustus 2015

Op 17 augustus 2015 treedt de Europese Erfrechtverordening in werking. Deze verordening regelt de internationale bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning van akten van erfopvolging, en voert een Europese erfrechtverklaring in. Alle burgerrechtelijke aspecten van erfopvolging in de nalatenschap van een overleden persoon behoren tot het toepassingsgebied van de verordening.

De Europese Erfrechtverordening geldt in alle EU-landen behalve Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk.

Hier volgt een korte bespreking van de belangrijkste punten.

De bevoegdheidsregeling

Het algemene principe van de verordening is dat de gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van zijn overlijden zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd zijn om uitspraak te doen over de hele erfopvolging. Dat betekent dat zelfs als er zich onroerend goed in een lidstaat bevindt, de gerechten van die lidstaat alleen bevoegd zijn als de erflater ook in die lidstaat zijn gewone verblijfplaats had. Zo zal een Belgische rechter in principe niet bevoegd zijn om zich uit te spreken over een onroerend goed in België als de erflater hier niet zijn gewone verblijfplaats had op het moment van zijn overlijden. Dat principe betekent een groot verschil voor de Belgische rechtspraktijk.

De verordening geeft echter de mogelijkheid aan de erflater om een forumkeuzeovereenkomst te doen.

Verder voorziet de verordening in een forum necessitatis. Als geen enkel ander gerecht van een lidstaat op grond van de verordening bevoegd is, kan een gerecht van een lidstaat bij uitzondering uitspraak doen over de erfopvolging. Dat kan als er in de derde staat waarmee de zaak nauw verbonden is, geen procedure kan worden gevoerd.

Als de erflater zijn gewone verblijfplaats buiten de EU had, kunnen de rechtbanken nog altijd bevoegdheid opnemen op basis van de ligging van het goed (art. 10). Hoe ver de bevoegdheid strekt, hangt van andere factoren af.

Toepasselijk recht

De algemene regel is dat het recht van de staat waar de erflater op het moment van zijn overlijden zijn gewone verblijfplaats had, van toepassing is op de hele erfopvolging. Bij uitzondering kan het recht van een andere staat van toepassing zijn. Dat kan als uit alle omstandigheden blijkt dat de erflater een duidelijk nauwere band had met een andere lidstaat. De verordening geeft ook wat betreft het toepasselijke recht de mogelijkheid om een rechtskeuze te maken.

Erkenning van beslissingen

Een beslissing over een erfopvolging uit een lidstaat wordt in de andere lidstaten erkend zonder dat er een procedure voor moet worden gevoerd. Dat is het principe van de plano erkenning.

De overheid die geconfronteerd wordt met een verzoek tot erkenning van een beslissing uit een andere lidstaat, moet wel de buitenlandse beslissing toetsen aan een aantal weigeringsgronden. Een beslissing zal niet worden erkend als:

  • de erkenning strijdig is met de openbare orde;
  • de rechten van verdediging niet werden gerespecteerd;
  • er onverenigbaarheid is met een eerdere beslissing.

Op dit punt zijn er geen grote verschillen met de erkenningsprincipes van de Brussel IIbis-verordening en het Wetboek IPR.

Authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

Een authentieke akte uit een lidstaat heeft in principe dezelfde bewijskracht in een andere lidstaat, als die laatste geen kennelijke strijdigheid met haar openbare orde vindt.

Europese erfrechtverklaring

De Erfrechtverordening stelt een Europese erfrechtverklaring in. Deze is voor erfgenamen die zich in een ander EU-land (behalve Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk) willen beroepen op hun hoedanigheid of die hun rechten en bevoegdheden als executeur-testamentair of beheerder van een nalatenschap moeten aantonen. Een erfrechtverklaring is geldig in alle lidstaten van de EU behalve Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk, zonder speciale procedure.