31 maart 2015

In een arrest van 15 oktober 2014 benadrukt het Antwerpse Hof van Beroep dat een akkoord tussen de huwelijkskandidaten en de ambtenaar van de burgerlijke stand tijdens de beroepsprocedure, getoetst moet worden aan de openbare orde. Daarnaast verduidelijkt het Hof de motiveringsplicht van de ambtenaar van de burgerlijke stand bij de beslissing tot het al dan niet voltrekken van een huwelijk. Tenslotte wijst het Hof op het fictief gebruik van de zogenaamde ‘België-route’ en op andere elementen die wijzen op een schijnhuwelijk. In dit geval besluit het Hof dat de openbare orde zich verzet tegen de homologatie van het akkoord tussen de partijen.

Feiten

Een Nederlandse man en een Nicaraguaanse vrouw dienden op 23 september 2011 een huwelijksaangifte in bij de ambtenaar van de burgerlijke stand in Antwerpen. Na een onderzoek naar schijnhuwelijk en een negatief advies van de Procureur des Konings, nam de ambtenaar van de burgerlijke stand op 5 april 2012 een beslissing tot weigering om het huwelijk te voltrekken. De voorzitter van de familierechtbank, zetelend zoals in kort geding, verklaarde het beroep tegen deze beslissing ongegrond.

De betrokkenen gingen hiertegen in beroep bij het Hof van Beroep van Antwerpen. Tijdens deze beroepsprocedure legden zij een akkoordconclusie neer, waarbij de ambtenaar van de burgerlijke stand terugkwam op zijn eerdere weigeringsbeslissing om het voorgenomen huwelijk af te sluiten. Toch gaf het Openbaar Ministerie op de terechtzitting mondeling een negatief advies.

Huwelijksakkoord

Het Hof wijst erop dat artikel 1043 van het Gerechtelijk Wetboek partijen toelaat de rechter te verzoeken akte te nemen van de overeenkomst die zij gesloten hebben om hun geschil op te lossen.

Zo’n overeenkomst moet echter verzoenbaar zijn met de openbare orde.

Het Hof meent dat dit een onderzoek ten gronde van het voorgenomen huwelijk vereist, en dus ook van de oorspronkelijke weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand. Het huwelijk is immers een materiële rechtshandeling die de staat van de ongehuwden tot gehuwden wijzigt. De staat van personen behoort tot de grondslagen waarop de economische en morele orde van de maatschappij rust en belangt als zodanig de openbare orde aan. Het betreft geen zaak die in de handel is, hetgeen inhoudt dat men er niet over kan beschikken door middel van een overeenkomst of afstand. Waar de wet in welbepaalde gevallen, zoals bijvoorbeeld een adoptieovereenkomst of een huwelijk, toelaat aan individuen om een overeenkomst te sluiten die een bepaald element van de staat wijzigt, is de uitwerking van dergelijke overeenkomsten door de wet onderworpen aan een gerechtelijke uitspraak en plechtige vormvoorschriften.

Specifieke motiveringsplicht

Artikel 167, lid 4 van het Burgerlijk Wetboek legt de ambtenaar van de burgerlijke stand een specifieke motiveringsplicht op. Bij weigering moet hij zonder verwijl een met redenen omklede beslissing bezorgen aan de belanghebbende partijen, en een afschrift daarvan aan de Procureur des Konings.

Deze specifieke motiveringsplicht is voldaan, zowel formeel als inhoudelijk.

Daarentegen is de ‘formele motiveringsplicht’ uit de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing. Artikel 1 van deze wet beschrijft de begrippen ‘bestuurshandeling’ en ‘bestuur’ als volgt:

  • Bestuurshandeling: de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur
  • Bestuur: de administratieve overheden als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State

Een beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand inzake het al dan niet voltrekken van een huwelijk valt niet onder het toepassingsgebied van deze wet. Het beroep tegen die beslissing is bij de rechtbank van eerste aanleg (artikel 167 Burgerlijk Wetboek), en niet bij de Raad van State. Daarom handelt de ambtenaar van de burgerlijke stand in zo'n situatie niet als ‘bestuur’ in de zin van artikel 1 van de wet van 29 juli 1991.

Schijnhuwelijk en België-route

Het Hof van Beroep meent dat de eerste rechter op een omstandige en oordeelkundige wijze geoordeeld heeft dat de betrokkenen kennelijk een schijnhuwelijk wilden afsluiten, met de enige bedoeling om mevrouw een verblijfsrechtelijk voordeel te bezorgen, en dit met ontduiking van de Nederlandse wetgeving. De gewijzigde houding van de ambtenaar van de burgerlijke stand in de akkoordconclusie doet geen afbreuk aan het onderzoek dat het Hof moet instellen naar de naleving van een rechtsregel die geacht wordt de openbare orde te raken.

Opvallend is dat het Hof bij het onderzoek naar de verzoenbaarheid met de openbare orde het gebruik van de zogenaamde ‘België-route’ benadrukt. Volgens het Hof is het algemeen bekend dat niet-EU-burgers in het kader van (beweerde) gezinshereniging naar Nederland “worden gehaald” via België of Duitsland, hetgeen bekend staat onder de term ‘België-route’ of ‘EU-route’. Het Hof wijst hierbij op de eigen verklaringen van de betrokkenen, waaruit blijkt dat zij speciaal naar België zijn verhuisd om te huwen en wisten dat zij niet voldoen aan de voorwaarden om in Nederland te kunnen huwen (sic), en het feit dat zij zowel op economisch als sociaal vlak enkel banden hebben met Nederland. De man bleef ook ingeschreven in Nederland en woont er gedurende de week: de aanknoping met België is manifest fictief. Het Hof concludeert dat er in dit geval misbruik wordt gemaakt van de België-route, om aldus de strengere Nederlandse verblijfswetgeving ter zijde te schuiven.

Maar ook de overige door de eerste rechter weerhouden elementen die wijzen op een schijnhuwelijk, blijven volgens het Hof staande. Dat ging onder meer over gebrekkige kennis en communicatie, en tegenstrijdige verklaringen. De aanvullende dossierstukken brengen niets bij aan de beweerde oprechte intentie van betrokkenen om een duurzame levensgemeenschap aan te gaan.

Gevolgen van dit arrest?

Het Antwerpse Hof van Beroep heeft met dit arrest duidelijk gemaakt dat een akkoordconclusie tussen de ambtenaar van de burgerlijke stand enerzijds en de huwelijkskandidaten anderzijds niet pro forma gehomologeerd kan worden. De staat van de personen raakt de openbare orde. In dat geval blijft een onderzoek ten gronde noodzakelijk, ondanks het akkoord tussen de partijen.

Daarnaast volgt het Hof de oorspronkelijke redenering van de ambtenaar van de burgerlijke stand dat het gebruik van de zogenaamde België-route wetsontduiking inhoudt. Hoewel hier in dit geval duidelijke aanwijzingen toe waren, en het Hof ook wijst op de overige elementen in het dossier die wijzen op een schijnhuwelijk, is het opmerkelijk dat het gebruik van de België-route expliciet benadrukt wordt om te besluiten tot strijdigheid met de openbare orde.

Opmerkingen van Kruispunt M-I:

  • In dit geval was er een fictief gebruik van de België-route én andere elementen die wezen op een schijnhuwelijk.
  • Er moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen een fictief gebruik en een wettelijk gebruik van de België-route. Een fictief adres in België geeft geen recht op inschrijving. Maar Unieburgers kunnen zich wel inschrijven als zij hun feitelijke hoofdverblijfplaats in België hebben en aan de richtlijn vrij personenverkeer voldoen.
  • Het Hof lijkt de voorwaarden om in Nederland een verblijfsrecht te bekomen op basis van een huwelijk te verwarren en gelijk te stellen met de voorwaarden om in Nederland te kunnen huwen. Dat is duidelijk onjuist. Het feit dat de kandidaat-echtgenote van een Unieburger in diens land niet voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning (bijv. een bepaald inkomen hebben en een inburgeringsplicht voldoen en kunnen betalen), is op zich geen reden om een huwelijk in België te weigeren.