10 juli 2015

Wanneer je in België een aanvraag doet voor gezinshereniging met een Belg of Unieburger (F kaart), krijg je tijdens de aanvraagprocedure een attest van immatriculatie (AI). Er is nu rechtspraak die de periode met AI voor de aflevering van een F kaart, meetelt als periode met wettelijk verblijf vóór een nationaliteitsverklaring. Zowel de rechtbank van Antwerpen op 11 juni 2015, als de rechtbank van Bergen op 29 september 2014 spreken zich zo uit.

Het Wetboek van de Belgische nationaliteit (WBN) vereist onder meer een wettelijk verblijf gedurende een bepaalde voorafgaande periode voor een nationaliteitsverklaring (artikel 7bis, §2 WBN). Dat wettelijk verblijf moet ononderbroken zijn. De documenten die gelden als bewijs van wettelijk verblijf, worden opgesomd in het koninklijk besluit (KB) van 14 januari 2013. In dat KB staan verblijfskaarten A, B, C, D, E, E+, F, F+, H, en de bijlage 15 in sommige gevallen. Het attest van immatriculatie (AI) staat er echter niet in vermeld.

Tot nu toe tellen de meeste parketten de periode van verblijf met een AI niet mee als wettelijk verblijf voorafgaand aan een nationaliteitsverklaring. Twee vonnissen zeggen nu dat het AI wel een bewijs van wettelijk verblijf is voor de periode voorafgaand aan het indienen van een nationaliteitsverklaring, in de zin van het WBN. Deze vonnissen baseren zich op het declaratief karakter van dit verblijfsrecht. Kruispunt M-I maakte al dezelfde analyse in nieuwsbrief nr.1 van 2013.

Rechtbank van Antwerpen 11 juni 2015

Feiten
De betrokkene had verschillende jaren een verblijfsrecht als student en huwde tijdens haar studies met een Belg. In plaats van haar verblijfsrecht op basis van studies te verlengen, deed ze een aanvraag gezinshereniging met haar Belgische echtgenoot. Daardoor was ze na haar A kaart als student eerst in het bezit van een AI, tijdens de procedure gezinshereniging, vooraleer ze de bijlage 15 en daarna de F kaart kreeg. Ze vroeg de Belgische nationaliteit aan.

Het Openbaar Ministerie (OM) gaf een negatief advies op haar aanvraag om Belg te worden omdat haar wettelijk verblijf voorafgaand aan de nationaliteitsverklaring niet ‘ononderbroken’ was. De periode waarin de betrokkene een AI had, wordt door het OM als een onderbreking in het wettelijk verblijf beschouwd omdat het AI niet opgesomd is in artikel 4 van het KB van 14 januari 2013 dat de bewijzen van wettelijk verblijf voorafgaand aan de aanvraag bevat. Daarom is de betrokkene volgens het OM pas in ononderbroken wettelijk verblijf sinds zij in het bezit is van de bijlage 15 in afwachting van de F kaart. Die documenten staan immers wel opgesomd in het KB van 14 januari 2013.

Beslissing van de rechter
De rechter meent dat het AI van 6 maanden wél voldoet aan de definitie van wettelijk verblijf van artikel 7bis, §2, 2° van het Wetboek van de Belgische nationaliteit (WBN): toegelaten of gemachtigd zijn om meer dan 3 maanden in het rijk te verblijven of er zich te vestigen.

De rechter wijst op het declaratieve karakter van de F kaart. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie en de Raad van State (bijvoorbeeld RvS nr. 208.587 van 29 oktober 2010) heeft het verblijfsrecht van Unieburgers en hun (derdelands) familieleden een declaratief karakter: wanneer het verblijfsrecht wordt vastgesteld en toegekend na een aanvraag, wordt het geacht te bestaan vanaf de aanvraag. Het niet meetellen van de aanvraagperiode met een AI voor het bekomen van de F kaart als wettelijk verblijf, zou hiermee strijden.

Volgens de rechter is er dus geen onderbreking in het wettelijk verblijf van de betrokkene, en voldoet ze wel aan de voorwaarden om Belg te worden.

Rechtbank van Bergen 29 september 2014
Ook de rechtbank van eerste aanleg van Bergen besliste al in een vonnis van 29 september 2014 dat een AI wel een wettelijk verblijf is in de zin van het KB van 14 januari 2013. De rechter haalde hierbij dezelfde argumenten aan als de rechter in Antwerpen.

Gevolgen van deze rechtspraak?
Het gaat om lagere rechtspraak van twee rechtbanken van eerste aanleg. Hun redenering past wel vaste rechtspraak van de hoogste rechtbanken toe op deze rechtsvraag. Het is nu afwachten welk standpunt de parketten en de rechtbanken binnen de verschillende gerechtelijke arrondissementen zullen innemen.

Vraag is ook of deze uitspraken over het AI voor een F kaart zullen uitgebreid worden naar andere verblijfssituaties met een AI. Je kan hier meer over lezen in onze analyse over het bewijs van wettelijk verblijf in nieuwsbrief nr. 1 van 2013.