Volgens de Verblijfswet kunnen derdelanders worden aangehouden en opgesloten voor de tijd die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de verwijderingsmaatregel.

De duur van de vrijheidsberoving is in principe maximum twee maanden. Deze termijn kan onder bepaalde voorwaarden verlengd worden tot maximum vijf maanden of tot maximum acht maanden.

Verzet tegen repatriëring kan in de praktijk leiden tot vrijheidsberoving zonder beperking. 

Voor asielzoekers gelden in sommige gevallen specifieke regels.

In principe maximum twee maanden

De duur van de vrijheidsberoving is in principe maximum twee maanden (artikelen 7, 25, 27, 29, 74/5 en 74/6 Vw). De minister of DVZ kan onder bepaalde voorwaarden de termijn verlengen.

Verlenging tot maximum vijf maanden

De minister of de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) kan de oorspronkelijke termijn van twee maanden verlengen (artikelen 7, 25, 29, 74/5, 74/6 Vw) op voorwaarde dat:

  • binnen zeven werkdagen na de opsluiting van betrokken de nodige stappen met het oog op de verwijdering genomen werden, 
  • de nodige stappen met het oog op de verwijdering voortgezet worden met de vereiste zorgvuldigheid en
  • de effectieve verwijdering binnen een redelijke termijn nog steeds mogelijk is. 

Soms geldt bijkomend als voorwaarde dat er een uitvoerbare maatregel van terugdrijving is genomen (artikelen 74/5 en 74/6, §1 Vw).

Soms is er geen verlenging mogelijk (artikel 74/6, §1bis Vw). 

De eerste verlenging van de termijn van de vrijheidsberoving wordt bevolen door de minister of DVZ. De verlenging bedraagt in dit geval twee maanden.

De tweede verlenging kan alleen door de minister genomen worden. Een tweede verlenging bedraagt maar een maand. De minister vraagt in dat geval de raadkamer om de wettigheid van de verlenging te controleren, zoniet laat de raadkamer de betrokkene vrij. 

Na vijf maanden vrijheidsberoving wordt de betrokkene vrijgelaten, tenzij verdere verlenging tot maximum acht maanden noodzakelijk wordt geacht. 

Verlenging tot maximum acht maanden

De minister kan een vrijheidsberoving van vijf maanden verlengen met telkens een maand tot maximum acht maanden wanneer de vrijheidsberoving noodzakelijk is voor de bescherming van de openbare orde of de nationale veiligheid. Bij elke verlenging vraagt de minister de raadkamer om de wettigheid van de verlenging te laten controleren. Zoniet stelt de raadkamer de betrokkene in vrijheid.    

Geen maximumtermijn in geval van verzet

DVZ kan belissen om een nieuwe beslissing tot vrijheidsberoving te nemen wanneer een vreemdeling wederrechtelijk verzet pleegt tegen de repatriëring waardoor een poging tot repatriëring mislukt. Het gaat dan niet om een verlenging van een detentiemaatregel maar om een nieuwe detentiemaatregel waardoor een nieuwe termijn van vasthouding begint te lopen.

Het Hof van Cassatie bevestigde dat meerdere malen (Cass. 22 januari 1997, Cass. 31 augustus 1999, Cass. 28 september 1999, Cass. 31 maart 2004, Cass. 6 febuari 2007). Het Hof stelt dat geen enkele wetsbepaling verhindert dat een nieuwe beslissing overeenkomstig artikel 74/5, §1 wordt genomen, wanneer de uitvoering van de verwijdering van een vreemdeling enkel omwille van zijn wederrechtelijk verzet niet is gebeurd.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kwam tot hetzelfde besluit in zijn arrest van 2 juni 2005 (Kabongo/België, nr. 52467/99). Volgens het EHRM is er in de zaak geen sprake van schending van artikel 3 EVRM en artikel 5 EVRM omdat de overheid haar volgehouden wil om betrokkene van het grondgebied te verwijderen kan aantonen. 

In de praktijk kan het nemen van een nieuwe detentiemaatregel leiden tot een onbeperkte opsluitingsduur. Vrijheidsberoving van onbeperkte duur is in strijd met de Grondwet (artikelen 10 en 11) en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (artikel 5). 

Termijn bij Dublin

Een asielzoeker kan in bepaalde gevallen van zijn vrijheid worden beroofd in afwachting van het bepalen van de staat die verantwoordelijk is voor het asielonderzoek in het kader van de Dublin III Verordening. 

Vasthouding mag alleen voor de duur die strikt noodzakelijk is voor het Dublinonderzoek en mag in principe niet langer zijn dan één maand (artikel 51/5, §1, lid 2 Vw). Wanneer het een complex overname- of terugnamedossier betreft, kan de minister of DVZ de vasthouding met een maand verlengen (artikel 51/5, §1, lid 3 Vw).

Wanneer vaststaat dat België niet verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag, kan de asielzoeker worden vastgehouden voor de tijd die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de overdracht naar de verantwoordelijke staat. In dat geval duurt de termijn van vasthouding maximum 2 maanden (artikel 51/5, §3 en artikel 51/6 Vw).  

Schorsing termijn bij asielberoep RvV

Tijdens de aangewende termijn om beroep in te stellen bij de RvV zoals bedoeld in artikel 39/57 Vw wordt de detentietermijn geschorst.

Als de RvV het dossier terug overmaakt aan het CGVS voor bijkomend onderzoek wordt de detentietermijn geschorst met één maand (artikel 74/5, §3, lid 5 Vw). 

Extra informatie