Waar vind je de toepasselijke regeling?

De toepasselijke regeling hangt af van het land waar de beslissing werd genomen:

  • Beslissing in een EU-lidstaat? Dan is de Brussel IIbis Verordening van toepassing.
  • Beslissing in een andere staat dan de EU die partij is bij het Verdrag van Den Haag van 19 oktober 1996? Dan is dit verdrag van toepassing.
  • Beslissing in een andere staat dan de EU die geen partij is bij het Verdrag van Den Haag? Dan is het wetboek IPR van toepassing.

Brussel IIbis Verordening

De Brussel IIbis Verordening is van toepassing voor de erkenning in België van beslissingen over ouderlijke verantwoordelijkheid uit een EU-lidstaat, behalve Denemarken.

De Brussel IIbis Verordening heeft voorrang op deze twee verdragen:

  • het Europees Verdrag van Luxemburg (Raad van Europa) van 20 mei 1980 over de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen (artikel 60 Brussel IIbis Verordening)
  • het Verdrag van Den Haag van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (artikel 61 Brussel IIbis Verordening en artikel 36 Verdrag van Den Haag)

Verdrag van Den Haag van 19 oktober 1996

Het Verdrag van Den Haag van 19 oktober 1996 is van toepassing voor de erkenning in België van beslissingen over ouderlijke verantwoordelijkheid uit een niet-EU-lidstaat die partij is bij het verdrag of Denemarken.

Wetboek IPR

Het Wetboek IPR is van toepassing voor de erkenning in België van andere buitenlandse beslissingen die genomen zijn na de inwerkingtreding ervan, dus vanaf 1 oktober 2004 (artikel 126, § 2 Wetboek IPR).

Het Wetboek IPR is ook van toepassing op beslissingen over de bescherming van volwassen meerderjarigen.

Erkenning zonder gerechtelijke procedure

Wat zijn de EU-regels?   

De Brussel IIbis Verordening is van toepassing op beslissingen genomen binnen de Europese Unie (met uitzondering van beslissingen uit Denemarken) na 1 maart 2005.  Op beslissingen over ouderlijke verantwoordelijkheid die binnen het kader van een echtscheidingsprocedure in een EU-lidstaat genomen werden tussen 1 maart 2001 en 1 maart 2005 zijn dezelfde regels van toepassing, onder bijkomende voorwaarde dat de bevoegdheid in die beslissingen bepaald werd overeenkomstig de toen geldende bevoegdheidsregels van de Brussel II Verordening (artikel 64 Brussel IIbis Verordening).  

Het algemeen principe is de automatische erkenning of de zogenaamde de plano-erkenning. Een beslissing gegeven in een lidstaat wordt in de andere lidstaten erkend zonder enige procedure (artikel 21 Brussel IIbis verordening).

Wel zijn er enkele specifieke weigeringsgronden tot erkenning van beslissingen over ouderlijke verantwoordelijkheid (artikel 23 Brussel IIbis verordening):

  • kennelijke strijdigheid met openbare orde, gelet op het belang van het kind
  • onverenigbaarheid met een eerder tussen dezelfde partijen gegeven beslissing (in dezelfde of in een andere EU-lidstaat)
  • miskenning van het hoorrecht van zowel het kind (tenzij in het geval van spoedeisendheid) en van diegene die beweert drager van ouderlijke verantwoordelijkheid te zijn
  • In geval van een verstekvonnis: de afwezige verweerder werd niet tijdig of met miskenning van de rechten van verdediging opgeroepen voor de zaak, tenzij hij ondubbelzinnig met de beslissing instemt.
  • Bij het onderzoek mogen dus niet de bevoegdheid van de oorspronkelijke rechter of de juistheid van de beslissing onderzocht worden (artikel 24 en 26 Brussel IIbis verordening). 

De partij die de erkenning van een Europese beslissing vordert of betwist moet daartoe een aantal stukken voorleggen (artikel 37 Brussel IIbis verordening):

  • een letterlijk afschrift van de beslissing
  • een certificaat ‘betreffende beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid’, dat wordt afgeleverd door de griffie van het bevoegde gerecht dat de beslissing nam (artikel 39 Brussel IIbis verordening, bijlage II bij de Brussel IIbis Verordening)
  • In het geval dat het een verstekvonnis betreft: het gedinginleidend stuk of een bewijs dat de verweerder ondubbelzinnig instemt.

De stukken moeten niet gelegaliseerd of van een apostille voorzien worden (artikel 52 Brussel IIbis verordening).

Wat zijn de regels van het Verdrag van Den Haag?

Het algemeen principe is de erkenning van rechtswege (artikel 23 Verdrag van Den Haag). Wel zijn er enkele specifieke weigeringsgronden:

  • als de maatregel is genomen door een autoriteit wiens bevoegdheid niet gebaseerd was op de bevoegdheidsgronden van het verdrag
  • als de maatregel is genomen in het kader van een rechterlijke of administratieve procedure zonder dat het kind de kans had om gehoord te worden en dit met schending van fundamentele beginselen van procesrecht, behoudens in spoedeisende gevallen
  • als de maatregel is genomen zonder dat de verweerder de kans had om gehoord te worden, behoudens in spoedeisende gevallen
  • als er kennelijk sprake is van strijdigheid met de openbare orde, gelet op het belang van het kind
  • als de maatregel onverenigbaar is met een maatregel die naderhand is genomen in de niet-verdragsluitende staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, en deze maatregel voldoet aan de vereisten voor erkennig in de andere staat
  • Als het gaat over de plaatsing van een kind in een pleeggezin of in een instelling of over de verstrekking van zorg door een kefala, dan moet de procedure van artikel 33 van het verdrag in acht zijn genomen.

Wat zijn de overige regels?  

Op grond van artikel 22 Wetboek IPR gebeurt de erkenning de plano, zonder dat er een procedure moet worden gevoerd. De erkenning kan dus gebeuren door de ambtenaar van de burgerlijke stand zonder afdwinging voor de rechtbank. Dit wil echter niet zeggen dat de ambtenaar van de burgerlijke stand geen controle kan doen. De controlegronden zijn terug te vinden in artikel 25 Wetboek IPR. De gevallen waarin de erkenning van een rechterlijke beslissing kan geweigerd worden, zijn in deze bepaling limitatief opgesomd. 

Overeenkomstig artikel 25 Wetboek IPR zal een buitenlandse rechterlijke beslissing niet erkend worden als:

  • er strijdigheid is met de openbare orde. Onder openbare orde wordt de internationale privaatrechtelijke openbare orde begrepen. Het Hof van Cassatie begrijpt hieronder de beginselen die essentieel zijn voor de morele, politieke en economische orde van België. Iedere casus zal in concreto moeten beoordeeld worden: "bij de beoordeling van deze onverenigbaarheid wordt inzonderheid rekening gehouden met de mate waarin het geval met de Belgische rechtsorde is verbonden en met de ernst van de gevolgen die aldus worden veroorzaakt" (deze bepaling in artikel 25 is trouwens identiek aan artikel 21 Wetboek IPR).   
  • er sprake is van schending van de rechten van verdediging, bijvoorbeeld partijdigheid van de rechter, niet tijdig oproepen van de verweerder, enzovoort.     
  • er sprake is van wetsontduiking, namelijk als "de beslissing alleen is verkregen om te ontsnappen aan de toepassing van het door deze wet aangewezen recht, in een aangelegenheid waarin partijen niet vrij over hun rechten kunnen beschikken".
  • de beslissing nog vatbaar is voor hoger beroep.     
  • de beslissing onverenigbaar is met een Belgische beslissing of met een eerder in het buitenland gewezen beslissing die in België kan worden erkend. Om te weten of er een dergelijke beslissing bestaat, zal een ambtenaar van de burgerlijke stand, aan wie een buitenlandse beslissing wordt voorgelegd, moeten oordelen op basis van informatie die hij of zij ter beschikking heeft.   
  • de vordering in het buitenland werd ingesteld na het instellen in België van een vordering die nog steeds aanhangig is tussen dezelfde partijen en met hetzelfde onderwerp. In de praktijk kan de ambtenaar van de burgerlijke stand, wanneer er nog een procedure in België loopt, vragen om deze procedure eerst te beëindigen. Om zicht te krijgen op een eventuele lopende procedure in België, kan er gevraagd worden om een attest van de griffie voor te leggen waaruit blijkt of er nog een vordering aanhangig is of dat er eventueel afstand werd gedaan van de vordering.   
  • de Belgische rechters exclusief bevoegd waren om kennis te nemen van de vordering.      
  • de bevoegdheid van de buitenlandse rechter uitsluitend gegrond was op de  aanwezigheid van de verweerder of van goederen, zonder rechtstreeks verband met het geschil in de staat waartoe die rechter behoort. Hier gaat het om de gevallen waarin iemand bijvoorbeeld op doorreis door een bepaald land, in dat land wordt gedagvaard.      
  • er strijdigheid is met een aantal limitatief in het Wetboek opgenomen weigeringsgronden (in het domein van het personen- en familierecht gaat het enkel om naam, adoptie en verstoting). Artikel 25, § 2 Wetboek IPR, dat bepaalt dat de buitenlandse beslissing in geen geval ten gronde mag worden herzien, is erg belangrijk. De Memorie van Toelichting (bladzijde 33) is op dit punt duidelijk: "Het artikel sluit de controle van het geschil zelf, of de herziening ten gronde evenals de controle van het toegepaste recht uit. (…) Hieruit vloeit voort dat de erkenning niet kan worden geweigerd enkel en alleen omdat de buitenlandse overheid een ander recht heeft toegepast dan dat toepasselijk volgens het Wetboek.".  

Voor te leggen stukken 

Met het oog op erkenning in België moeten de volgende stukken worden voorgelegd (artikel 24 Wetboek IPR):   

  • Een uitgifte van de beslissing die volgens het recht van de Staat waar zij is gewezen, voldoet aan de voorwaarden die nodig zijn voor de echtheid ervan.
  • In geval van een verstekbeslissing: het origineel of een voor eensluidend verklaard afschrift van het document waaruit blijkt dat de niet-verschenen partij behoorlijk werd opgeroepen.
  • Een document waaruit blijkt dat de beslissing, volgens het recht van de staat waar zij is gewezen, uitvoerbaar en betekend of ter kennis gebracht is.

De voor te leggen stukken zullen ook de vereiste legalisatie of apostille en vertaling moeten hebben.

Gerechtelijke erkenning

Wat zijn de EU-regels?  

Voor de echtscheidingsbeslissingen uit andere EU-lidstaten, behalve Denemarken, kan een verzoek tot erkenning bij de rechter worden ingeleid (artikel 21, punt 3 Brussel IIbis Verordening).

Wat zijn de regels van het Verdrag van Den Haag?

Ieder belanghebbende persoon kan de bevoegde autoriteiten van een verdragsluitende staat  verzoeken om een beslissing te nemen over de erkenning of niet-erkenning van een in een andere verdragsluitende staat genomen maatregel (artikel 24 Verdrag van Den Haag).

Wat zijn de overige regels?  

Op grond van artikel 22, § 2 Wetboek IPR kan betrokkene een vordering instellen om de erkenning van een buitenlandse beslissing af te dwingen. Zo kan bijvoorbeeld een persoon die de door een ambtenaar van de burgerlijke stand genomen beslissing tot weigering van erkenning wenst te betwisten, zich tot de rechtbank van eerste aanleg wenden (zie ook Circulaire 23 september 2004). De te volgen procedure is vastgelegd in artikel 23 Wetboek IPR. Dit artikel voorziet onder meer dat de vordering moet worden ingesteld en behandeld volgens de bepalingen over de procedure op eenzijdig verzoekschrift (artikelen 1025-1034 Gerechtelijk Wetboek).

 

Extra informatie