Volgens de Verblijfswet kunnen vreemdelingen worden aangehouden en opgesloten voor de tijd die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de verwijderingsmaatregel.

Twee maanden

De duur van de vrijheidsberoving is beperkt tot maximum 2 maanden (artikelen 7, 25 27, 74/5 en 74/6 Verblijfswet). 

Vijf maanden

De Dienst Vreemdelingenzaken kan de termijn van 2 maanden telkens met een periode van 2 maanden verlengen op voorwaarde dat:

  • De nodige stappen met het oog op de verwijdering genomen werden binnen 7 werkdagen na je opsluiting
  • De nodige stappen met het oog op de verwijdering voortgezet worden met de vereiste zorgvuldigheid
  • De effectieve verwijdering binnen een redelijke termijn nog steeds mogelijk is 

Soms geldt bijkomend als voorwaarde dat er een uitvoerbare maatregel van terugdrijving is genomen (artikelen 74/5 en 74/6, §1 Verblijfswet).

Soms is er geen verlenging mogelijk (artikel 74/6, §1bis Verblijfswet). 

De eerste verlenging van de termijn van de vrijheidsberoving mag bevolen worden door de DVZ. Vanaf de tweede verlenging kan de beslissing alleen door de minister genomen worden. De minister dient dan bij de raadkamer een verzoekschrift in om over de wettigheid van de verlenging een uitspraak te bekomen. Als de verlenging onwettig wordt bevonden, moet je in vrijheid worden gesteld. 

De vrijheidsberoving mag maximum 5 maanden duren. 

Acht maanden

Als de vrijheidsberoving noodzakelijk is voor de bescherming van de openbare orde of de nationale veiligheid kan de verlengde termijn na 5 maanden nog verder verlengd worden met telkens een maand tot de termijn van 8 maanden bereikt is.    

Geen maximumtermijn

In sommige gevallen is er geen maximumtermijn voor de vrijheidsberoving (artikel 52/4, lid 4, artikel 54, §2, lid 2 en artikel 57/32, §2, lid 2 Verblijfswet).

Wanneer je als vreemdeling de repatriëring belemmert waardoor een poging tot repatriëring mislukt, dan kan de DVZ beslissen om opnieuw over te gaan tot detentie. Dat wordt niet beschouwd als een verlenging. Het Hof van Cassatie bevestigde dat meerdere malen (arrest van 31 augustus 1999, arrest van 28 september 1999, arrest van 2 november 1999 en arrest van 31 maart 2004). Het Hof stelt dat geen enkele wetsbepaling in de weg staat dat, wanneer de uitvoering van de verwijdering van een vreemdeling enkel omwille van zijn wederrechtelijk verzet niet is gebeurd, een nieuwe beslissing overeenkomstig artikel 74/5, § 1 Verblijfswet wordt getroffen. Het EHRM kwam eveneens tot hetzelfde besluit in zijn arrest van 2 juni 2005 (Kabongo/België, nr. 52467/99). Geen enkel element uit het dossier laat het Hof toe te besluiten dat het Hof van Cassatie een manifest verkeerde interpretatie gegeven heeft aan de desbetreffende wetsbepalingen. In de praktijk kan dit leiden tot een onbeperkte opsluitingsduur.

Vrijheidsberoving van onbeperkte duur is in strijd met de Grondwet (artikelen 10 en 11) en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (artikel 5). 

Termijn bij Dublin

Wanneer het gaat om een vasthouding in afwachting van het bepalen van de staat die verantwoordelijk is voor het asielonderzoek in het kader van de Dublin II Verordening, mag dat slechts voor de duur die strikt noodzakelijk is voor dat onderzoek en de duur mag in principe niet langer zijn dan één maand. Wanneer het een complex dossier betreft, mag de DVZ de aanhouding met één maand verlengen.

Een asielzoeker kan ook worden vastgehouden wanneer vaststaat dat zijn asielaanvraag ten laste wordt genomen door een andere staat en dit in afwachting van zijn overbrenging naar die staat. In dat geval mag de termijn van de vasthouding maximum 2 maanden bedragen. Verlenging is hier niet mogelijk maar het kan zijn dat de asielzoeker reeds een maand vastgehouden werd in het kader van het onderzoek naar de verantwoordelijke staat. De Verblijfswet bepaalt immers dat er geen rekening wordt gehouden met een eventuele dubbele termijn van één maand tijdens welke de DVZ onderzoekt welke staat het asielverzoek ten laste dient te nemen. 

Termijn bij beroep RvV

Als je als asielzoeker een beroep instelt bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt je detentietermijn geschorst tijdens de termijn van het beroep. Als de RvV het dossier terug overmaakt aan het CGVS voor bijkomend onderzoek is er een schorsing van de detentietermijn met één maand. 

Termijn in geval van overmacht

Als je je verzet tegen je verwijdering en je wordt verder in detentie gehouden, wordt de oorspronkelijke termijn van een maand volgens het Hof van Cassatie niet overschreden. In geval van overmacht kan de DVZ immers een nieuwe beslissing nemen waardoor een nieuwe termijn van vrijheidsberoving begint te lopen.

Extra informatie